Hij was een bioloog in hart en nieren, die naar woorden keek en levende wezens zag. August Schleicher studeerde niet alleen taal; hij probeerde het in het rigide raamwerk van de natuurwetenschappen te plaatsen. Hij werd in 1821 in Meiningen geboren en probeerde zijn hele leven te bewijzen dat grammatica net zo onderhevig was aan evolutie als welke kever of eik dan ook. Tegen de tijd dat hij in 1868 in Jena stierf, had hij de kaart van de menselijke spraak opnieuw getekend.
Zijn vroege jaren waren doordrenkt van de zware filosofie van Hegel en de predarwinistische biologische theorieën die ingang vonden op de Europese universiteiten. Hij geloofde dat als je kon begrijpen hoe organismen groeiden en stierven, je ook kon begrijpen hoe talen hetzelfde deden. Het was een gedurfd, bijna arrogant idee. Maar het werkte genoeg om het vakgebied decennia lang te definiëren.
Het veldwerk waarmee het allemaal begon
Vóór Schleicher keken taalkundigen vooral naar oude teksten. Ze traceerden wortels door stoffige manuscripten. Schleicher besloot naar de bron te gaan. Tussen 1850 en 1857 gaf hij les aan de Universiteit van Praag. Maar in plaats van in de collegezaal te blijven, verhuisde hij naar het platteland van Pruisisch Litouwen.
Hij leefde tussen de boeren.
Hij luisterde naar hen. Dit was de eerste serieuze poging om een Indo-Europese taal rechtstreeks vanuit spraak te bestuderen, niet alleen vanuit schriftelijke documenten. Het resultaat was het Handbuch der litauischen Sprache (1856–57). Het was een uitgebreide, wetenschappelijke beschrijving van het Litouws. Het omvatte een grammatica, een reader en een woordenlijst. Het was de eerste keer dat iemand een levende taal zo gedetailleerd had vastgelegd.
Het Litouws bleek ongelooflijk dicht bij de oude moedertaal te staan. Schleicher realiseerde zich dat als hij de rode draad door deze verschillende talen kon vinden, hij de originele Ursprache kon reconstrueren.
De taalstamboom opbouwen
Schleichers beroemdste werk, het Compendium der vergleichenden Grammatik der indogermanischen Sprachen (1861-1862), zette zijn hele theorie uiteen. Hij noemde het de Stambaumtheorie, of stamboomtheorie.
Zie het als plantkunde. Net zoals een botanicus planten classificeert op basis van hun wortels, classificeerde Schleicher talen op basis van hun oorsprong. Hij geloofde dat talen organismen waren. Ze hadden geboorte, volwassenheid en verval. Ze groeiden, vertakten zich en stierven soms uit.
Hij traceerde groepen verwante talen en rangschikte ze in een genealogische boom. Dit was niet zomaar een lijst. Het was een structureel model. Het liet zien hoe het Sanskriet, het Grieks, het Latijn en de Germaanse talen allemaal takken van dezelfde stam waren: Proto-Indo-Europees.
Taal is een organisme dat perioden van ontwikkeling, volwassenheid en verval vertoont.
Dit model werd de standaard voor de historische taalkunde. Het verlegde de focus van het vergelijken van individuele woorden naar het begrijpen van de systemische evolutie van hele taalfamilies.
Waarom zijn methode er nog steeds toe doet
De specifieke conclusies van Schleicher zijn bijgewerkt. We weten nu dat talen niet altijd netjes in een simpele boom passen; ze lenen van elkaar, mixen en verspreiden zich als een netwerk. Maar het kernidee bleef.
Hij bewees dat taal wetenschappelijk bestudeerd kon worden. Hij liet zien dat je verloren verledens kon reconstrueren door levende vormen te vergelijken. Zijn werk vormde de richting voor veel later onderzoek.
Als taalkundigen tegenwoordig naar de wortels van een woord zoeken, bewandelen ze de paden die Schleicher heeft uitgestippeld. Hij beschreef niet alleen taal. Hij probeerde de levenscyclus ervan vast te leggen.
Het boommodel heeft zijn scheuren. Talen zijn rommeliger dan planten. Maar de impuls




















