Recente archeologische vondsten bevestigen dat Neanderthalers ruim 120.000 jaar geleden in Europa in staat waren grote prooien, waaronder oude olifanten, neer te halen. De ontdekking, gecentreerd rond een locatie in Lehringen, Duitsland, lost een al lang bestaand mysterie op over de relatie tussen Neanderthalers en megafauna. Het bewijsmateriaal duidt duidelijk op strategische jacht en niet op toevallige ontmoetingen met deze enorme dieren.

De ontdekking van 1948 en de slepende vragen

In 1948 ontdekten amateurpaleontologen de overblijfselen van een olifant met rechte slagtanden – een van de grootste landzoogdieren van Europa – naast een complete houten speer. Hoewel de speer aantoonbaar door Neanderthalers is gemaakt, bleef het onzeker of ze actief op de olifant jaagden of dat de aanwezigheid van de speer toevallig was. Bijna acht decennia lang bleef deze vraag bestaan.

Definitief bewijs van een jacht op Neanderthalers

Nieuwe analyse van de locatie en skeletresten heeft overtuigend bewijs opgeleverd. Onderzoekers identificeerden duidelijke snijsporen op de ribben en wervels van de olifant, wat duidde op opzettelijk afslachten. Het dier, een ongeveer dertig jaar oude man, werd systematisch verwerkt: Neanderthalers openden de borstholte om organen eruit te halen en duizenden kilo’s vlees en vet te oogsten. Dit bevestigt hun vermogen om grote prooien neer te halen en te gebruiken.

Beyond Elephants: een gevarieerde jachtstrategie

De locatie leverde ook de overblijfselen op van een uitgestorven oeros, een oude wilde rundersoort, die het jachtvermogen van de Neanderthalers verder ondersteunde. Oerossen waren formidabele wezens, bijna 1,80 meter lang en met brede hoorns, waardoor ze een uitdagend doelwit waren. De aanwezigheid van overblijfselen van zowel olifanten als oerossen duidt op een diverse jachtstrategie die door de Neanderthalers in Lehringen werd toegepast.

De bredere implicaties

Naast megafauna bevatte de site overblijfselen van kleinere dieren zoals schildpadden, vogels en vissen, evenals plantaardig materiaal. Dit benadrukt dat Neanderthalers zich niet alleen op groot wild concentreerden, maar ook een verscheidenheid aan hulpbronnen exploiteerden. De bevindingen tonen aan dat Neanderthalers rond dezelfde periode jaagden met een vaardigheidsniveau dat vergelijkbaar was met dat van de vroege Homo sapiens.

“Neanderthalers brachten herhaaldelijk lange perioden aan het meer door, waarbij ze verschillende jachtstrategieën volgden”, legt Ivo Verheijen uit, een bioarcheoloog die bij het onderzoek betrokken is. “Grote hoeveelheden vlees waren belangrijk, maar ze hadden ook beenmerg en vacht nodig.”

De ontdekkingen in Lehringen vormen een cruciale bijdrage aan ons begrip van de Neanderthalercultuur, het gebruik van gereedschappen en jachttechnieken. Dit bevestigt dat de Neanderthalers niet alleen maar aan het overleven waren; het waren bekwame jagers die in staat waren om op strategische wijze enorme prooien te targeten en te verwerken, waardoor onze kijk op hun cognitieve en gedragsmatige capaciteiten fundamenteel werd hervormd.