Het scherpe oog van een hobbyist en moderne technologie hebben geleid tot een belangrijke archeologische ontdekking: bewijs van vier voorheen onbekende Romeinse militaire marskampen in Noordwest-Duitsland. Deze bevinding daagt bestaande historische inzichten uit over de reikwijdte van het Romeinse Rijk in Germaanse gebieden in de derde eeuw na Christus.

De ontdekking

In 2020 merkte Michael Barkowski, een amateurarcheoloog, ongebruikelijke rechthoekige formaties op in satellietbeelden nabij Aken, Saksen-Anhalt. Omdat hij vermoedde dat het Romeinse marskampen waren – tijdelijke versterkte bouwwerken die aan het eind van elke dagmars door legioenen werden gebouwd – waarschuwde hij professionele archeologen. Daaropvolgende luchtonderzoeken bevestigden zijn vermoeden en onthulden niet één, maar vier verschillende kampen die dateren uit het begin van de jaren 200 CE.

Dit is een ongebruikelijke ontdekking omdat het de bevestigde Romeinse militaire aanwezigheid verder naar het noorden duwt dan eerder werd gedacht. Terwijl historische teksten zinspeelden op Romeinse invallen dieper in Germania, ontbrak fysiek bewijs. Deze kampen vullen nu die leemte op.

Wat waren Romeinse marskampen?

Romeinse legioenen stonden bekend om hun discipline en logistieke precisie. Hun marcherende kampen vormden daarop geen uitzondering. Deze vestingwerken zijn typisch rechthoekig met afgeronde hoeken en ontworpen voor snelle constructie en verdediging. Elk kamp had een titulum : een oever en een sloot buiten de hoofdpoort, bedoeld om aanvallers af te remmen. De kampen varieerden in grootte en boden elk plaats aan ongeveer 300 soldaten, met de tent van de commandant in het midden.

Dit waren geen permanente nederzettingen; het waren tijdelijke bases die tijdens militaire campagnes waren opgericht en minimale, maar veelzeggende sporen achterlieten die moderne archeologen konden vinden.

Historische context

Het Romeinse Rijk begon rond 13 GT delen van het huidige Duitsland onder keizer Augustus te veroveren, maar kreeg te maken met een grote nederlaag die een terugtrekking na dertig jaar dwong. Tegen de derde eeuw hernieuwde Rome zijn militaire inspanningen tegen de steeds beter georganiseerde Germaanse stammen.

De relatie tussen Rome en Germania was complex en wisselde tussen regelrechte verovering, strafaanvallen en zelfs onderhandelde nederzettingen. Deze nieuwe kampen suggereren een diepere en agressievere aanval op Germaans grondgebied dan eerder gedocumenteerd.

Bewijs en artefacten

Tussen 2024 en 2025 voerden archeologen grondonderzoek uit op de nieuw geïdentificeerde locaties, waarbij meer dan 1.500 artefacten werden teruggevonden, voornamelijk gemaakt van ijzer. Dit omvatte Romeinse munten, evenals een verrassend groot aantal spijkers en bouten waarvan werd aangenomen dat ze werden gebruikt om de sandalen van soldaten te versterken voor betere tractie. Radiokoolstofdatering bevestigt dat deze objecten dateren uit de tijd van de militaire campagne van keizer Caracalla in Duitsland.

De ontdekking versterkt theorieën gebaseerd op schriftelijke verslagen en gefragmenteerde archeologische vondsten, en levert concreet bewijs op waar voorheen alleen speculatie bestond.

De rol van burgerwetenschap

Deze doorbraak onderstreept het groeiende belang van burgerwetenschap en vrij beschikbare luchtbeelden bij archeologisch onderzoek. Barkowski’s observatie, gecombineerd met moderne landmeettechnieken, heeft een klein maar belangrijk hoofdstuk in de Romeinse militaire geschiedenis herschreven.

De ontdekking van deze Romeinse marskampen levert tastbaar bewijs van een diepere Romeinse militaire aanwezigheid in Germania dan eerder werd aangenomen, een bewijs van de kracht van samenwerking tussen amateurliefhebbers en professionele archeologen.